Armenzorg in de middeleeuwse stad

In de straten van de middeleeuwse stad zag je veel bedelaars. Mensen die een aalmoes vroegen om zo in leven te kunnen blijven.


In de middeleeuwse steden waren veel arme mensen. Maar niet alle arme mensen waren gelijk.
Volgens de middeleeuwers was er een verschil tussen “eerzame armen” en paupers. Eerzame armen waren mensen die te weinig verdienden met hun werk om voor zich zelf te kunnen zorgen. Dit waren vooral mensen die geen vaste baan hadden. De ene dag hadden zij werk dan weer niet.  Vooral in de winter als er minder werk was of in tijden van economische crisis waren zij de eersten die geen geld meer hadden.

Meester Henk!! Werden zij niet door een gilde geholpen?

Nee, zij kregen geen hulp van de gilden. Deze arbeiders hadden meestal geen beroep geleerd. Zij hadden niet goed opgelet tijdens de lessen van meester Henk. En daarom deden zij ongeschoold werk zoals stenen sjouwen in de bouw of vuilnis ophalen. Voor dit werk bestonden geen gilden.
Paupers waren armen die door omstandigheden niet voor zich zelf konden zorgen: bejaarden, zieken, gehandicapten en weduwen met kleine kinderen. Mensen die om verschillende redenen niet konden werken.

Om te voorkomen dat deze mensen teveel in de straten bedelden, bedachten de stadsbesturen manieren om hen te ondersteunen.  Een belangrijke vorm van armenzorg waren de Heilige Geesttafels. Dit waren letterlijk tafels achter in de kerk. Na de mis werd hier brood uitgedeeld. Maar ook kleding en brandhout.  Maar stedelingen werden ook gedwongen om voor de armen te zorgen. In sommige steden, zoals in Delft, werd van rijkere stadsgenoten verwacht dat ze na hun dood hun beste kledingstuk na lieten aan de armen in de stad.
Ook werden er diaconiehuizen of armenhuizen gesticht. Hier vonden een paar paupers, vooral bejaarden en gehandicapten, een bed en een warm plekje.

Bedelaars van buiten de stad, zogenaamde passanten,  werden opgevangen in gasthuizen. Hier konden zij 1 of 2 nachten slapen en kregen zij een maaltijd.
De meeste gasthuizen hadden een deel ingericht als “ziekenhuis”. In grote ziekenzalen stonden ledikanten of bedsteden langs de muren opgesteld. De bedden moesten meestal gedeeld worden met ander.In drukke tijden moesten de patiënten soms met twee of drie mensen in één bed. De “ziekenzalen” van de Nederlandse gasthuizen stonden bekend om de goede verzorging van hun patiënten. Het eten kwam meestal uit de eigen moestuin. Ook beschikten ze vaak over een eigen boerenbedrijfje op het gastterrein. Daar hielden ze koeien (zuivel), varkens (vlees) en kippen (eieren).
Een hele speciale vorm van armenzorg was voor lepra patiënten.

Meester Henk!! Wat is lepra?

Lepra is een zeer besmettelijke ziekte die wordt veroorzaakt door een bacterie Mycobacterium leprae. De leprabacterie tast de zenuwen aan en hierdoor voelt de patiënt niet meer of hij wondjes krijgt. Hierdoor ontstaan grote wonden, infecties en verminkingen. Zelfs blindheid kan een gevolg zijn. In de 12e en 13e eeuw was deze besmettelijke ziekte naar Europa gebracht door terugkerende kruisvaarders die in het Midden-Oosten waren besmet.

Leprozen of melaatsen werden zoveel mogelijk verzorgd in speciale tehuizen, de leprooshuizen. Deze stonden meestal buiten de stadspoort. Was er geen plaats in de leprooshuis dan kreeg de patiënt een zgn. “vuilbrief” en een houten klepper of ratel. Met de brief mochten de leprozen met goedkeuring van de stad gaan bedelen. Wel moesten zij duidelijk herkenbaar zijn door een speciale mantel en hun geklepper.

Meester Henk!! Bestaat lepra nog steeds?

Ja, lepra bestaat nog steeds. Gelukkig niet meer in Nederland. Maar in veel landen in Azië, Zuid-Amerika en Afrika is het nog een veel voorkomende ziekte. Wat gek is want lepra is heel goed te genezen. Maar nu weer terug naar het verleden.

Ondanks alle voorzieningen waren er zoveel arme mensen dat bedelen heel normaal was. Om de hoeveelheid bedelaars enigszins in de hand te houden kwam er in veel steden een vergunningsstelsel; je moest van de stad toestemming krijgen om er te bedelen. Vanaf 1390 moesten de bedelaars in Haarlem zich meldden bij Heilige Geestmeesters. Die controleerden of je echt arm was en niet in staat om te werken. Dan kregen de bedelaars een vergunning en een bedelnap met het stadswapen. In andere steden moesten de bedelaars  een teken om hun hals dragen. Dat was een koord van henneptouw waaraan een loodje hing met de letter van de stad. Het koord moest echter zo strak om de nek zitten dat het niet over de hoofd kon worden afgedaan. Zo konden de mensen zien dat de bedelaar een echte was en geen nepper.

Niet alleen bedelen was heel normaal ook het geven van aalmoezen. Het werd gezien als een daad van naaste liefde. Het was zelfs zo gewoon dat bedelaars aan de eettafel van de rijkere burgers kwamen. Daar kregen zij dan wat over was van de maaltijd. De rijkere burgers hadden op een gegeven moment daar wel genoeg van en toen werd het eten aan de deur weggeven.

 

 

 

.Op dit werk is een Creative Commons Licentie van toepassing.

Juni 12, 2020
  

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Leprozen in de middeleeuwen

Lepra vandaag