De stad

Van verre zag je de hoge stadsmuren oprijzen uit het omringende platteland. Die muur zei: ”Let op. Hier is een stad.”


Het eerste opvallende gebouw als je stad binnenkomt is de stadsmuur. De stadsmuur was de scheiding tussen de stad en het omringende platteland. Van verre zag je de hoge muren oprijzen uit het omringende land. Die muur zei: ”Hier is een stad.” Een stad met andere rechten dan het omringende platteland. Want binnen de muur gold het stadsrecht, buiten de stadsmuur het gewoonterecht van de boeren. De muur maakte dat verschil goed duidelijk.
Binnen de muur was men vrij van de macht van de heer. Een weggelopen horige (link horigheid) die in de stad ging wonen, mocht niet door de heer worden opgepakt. Hij werd beschermd door de rechten van de stad. Bleef de horige  jaar en één dag in de stad dan was hij een vrij mens. Daarom zei men ook “Stadslucht maakt vrij.”

De stad had meerdere stadspoorten. Deze poorten gingen bij zonsopkomst open. Dan controleerden poortwachters wie de stad binnen kwamen en weer vertrokken. ‘s Avonds werd de avondklok geluid. Dan wisten de mensen buiten de stadmuren dat zij zich moesten haasten om binnen te komen. Bij zonsondergang werden de stadspoorten gesloten en mocht niemand meer naar binnen of naar buiten. De laatkomers moesten buiten de stad blijven. Daarom stonden er vaak herbergen buiten de stadspoorten. Dan had men toch een veilige slaapplaats.

 

We kwamen de stad binnen over een brede straat. De brede straten en belangrijke pleinen als de Grote Markt waren verhard.

Maar achter de brede straten was een wirwar aan kronkelige steegjes. De meeste straten en stegen waren nauw, de huizen stonden dicht op elkaar. Er was weinig daglicht op straat doordat de huizen een beetje naar voren leunden. De stegen waren van modder en zand. Als het had geregend was alles blubber en de kuilen in de weg stonden vol water. Een wandeling over straat was dan heel avontuur vol glibberpartijen en als je niet goed uitkeek stond je tot je knieën in een plas met water.
Trekdieren en rondlopende varkens en ander vee vervuilden de straten met hun poep en pies. En dan waren er nog de mensen! De po’s werden vaak op de openbare weg geleegd. Men gooide de pies en drollen zo het raam uit. In veel steden kreeg je een boete als de inhoud van je po een voorbijganger raakte. Daarom riep men heel hard: “VAN ONDEREN!!!”. Dan kon je altijd zeggen dat je de mensen had gewaarschuwd.

De meeste huizen waren van hout of vlechtwerkwanden. Muren van gevlochten takken en besmeurd met leemklei. De daken waren gemaakt van houten plankjes of stro. Glazen ruiten waren zeer kostbaar. De ramen waren daarom gewoon openingen in de muur. Ze werden gesloten met luiken. Alleen de rijke mensen hadden huizen van steen. En natuurlijk alle belangrijke gebouwen als het stadhuis.
De huizen bestonden vaak uit twee verdiepingen. Beneden was het atelier, de plek waar men werkte. Boven woonden de mensen. Kom, we gaan even binnen kijken.

 

Meester Henk!! Overal staan bouwvallige schuurtjes. Ook tegen de stadsmuur en tegen kerken.

Dat zijn geen schuurtjes maar huizen van de allerarmsten in onze stad. De rijke inwoners hebben stenen huizen. De mensen met een ambacht of een vaste baan leven in houten huizen. Maar de arme mensen leven op straat. Ze waren letterlijk straatarm. Zij bouwden krotten van sloophout tegen bestaande gebouwen en daarin sliepen zij. Regelmatig gaf het stadsbestuur opdracht om de krotten te slopen. De stad moest dan weer netjes worden. Maar dat was meestal van korte duur. In korte tijd stonden de krotten er weer. De mensen moesten toch een plek hebben waar ze konden slapen.

 

Augustus 26, 2019


.Op dit werk is een Creative Commons Licentie van toepassing.